Berichten

Motorisch leren en sportrevalidatie een nieuw perspectief op hardloopanalyse - Fysiolinks

Fysiotherapeuten spelen een cruciale rol in het begeleiden van sporters bij blessurepreventie en revalidatie. Traditionele benaderingen focussen vaak op geïsoleerde spierversterking en biomechanische correcties. Maar in zijn invloedrijke werk “Motorisch leren en het aansturen van bewegingen” stelt Frans Bosch een ander perspectief centraal: beweging is complex, contextafhankelijk en adaptief. Deze inzichten zijn fundamenteel voor het begrijpen van efficiënte sportrevalidatie, met name bij hardlopers.

In deze blog analyseren we Bosch’ visie, verbinden die met de praktijk van hardloopanalyse fysiotherapie en leggen we de brug naar de Fysiolinks cursus van Runeasi: Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie.

Kernpunten uit het artikel van Frans Bosch

1. Beweging is context-gedreven, niet repetitief

Bosch stelt dat motorisch leren niet gebaseerd is op eindeloze herhaling van exact dezelfde beweging. In plaats daarvan leert het lichaam door variatie en het continu aanpassen aan veranderingen in de omgeving en het lichaam zelf.

  • Toelichting: Tijdens hardlopen past het neuromusculaire systeem zich voortdurend aan aan bijvoorbeeld ondergrond, vermoeidheid en snelheid. Dit betekent dat training en revalidatie ook deze variabiliteit moeten omarmen.

2. Attractoren en fluctuatoren: het nieuwe bewegingsdenken

Bosch introduceert de termen ‘attractoren’ (stabiele componenten in een beweging) en ‘fluctuatoren’ (variabele componenten).

  • Toelichting: In plaats van te streven naar biomechanische perfectie, moet een fysiotherapeut zich richten op het versterken van de attractoren (zoals een stabiele romp of heupcontrole bij hardlopen), terwijl fluctuatoren variatie toelaten om adaptief vermogen te vergroten.

3. Spiersynergieën en reflexdominantie

Een andere kerncomponent van Bosch’ benadering is dat beweging vooral wordt aangestuurd via reflexmatige, automatische processen, in plaats van bewuste spiercontrole.

  • Toelichting: Bij sportrevalidatie betekent dit dat oefeningen niet gericht moeten zijn op het ‘aanspannen’ van een spier, maar op het creëren van contexten waarin die spier vanzelf, reflexmatig, actief wordt.

4. Rehabilitatie = motorisch leren

  • Toelichting: Bosch benadrukt dat elke fase van revalidatie een leersituatie is. Het doel is niet alleen fysiek herstel, maar ook het heropbouwen van efficiënte bewegingspatronen. Dit sluit naadloos aan bij het werken met cursus hardloopanalyse waarin een loopbeweging niet mechanisch wordt gecorrigeerd, maar via motorisch leren wordt herbouwd.

Praktische implicaties voor fysiotherapeuten

1. Hardloopanalyse fysiotherapie moet dynamisch zijn

Een effectieve hardloopanalyse kijkt niet alleen naar hoekmetingen of voetlanding, maar analyseert ook hoe een sporter reageert op variatie (bijv. snelheid, ondergrond, vermoeidheid).

  • Tools zoals Runeasi maken het mogelijk om bewegingsvariatie en spierbelasting live te meten en interpreteren – ideaal om attractoren en fluctuatoren te identificeren.

2. Oefentherapie = oefenen met variatie

In plaats van geïsoleerde krachtoefeningen, moeten oefenvormen worden gekozen die:

  • een functionele context hebben (bijv. dynamische balansoefeningen),

  • sensorische input bevatten (zoals instabiele ondergronden),

  • en sport-specifieke componenten integreren (zoals plyometrie voor hardlopers).

3. Interne versus externe focus

Bosch raadt af om patiënten voortdurend intern te laten focussen (“span je bilspier aan”). Externe focus (“spring zo hoog mogelijk”) leidt tot betere motorische controle.

Bronvermelding:
Bosch, F. (2013). Motorisch leren en het aansturen van bewegingen. Versie VT3, PDF-editie.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

Het werk van Frans Bosch biedt een paradigmaverschuiving in sportrevalidatie en motorisch leren. Geen rigide herhaling, maar variatie, context en reflexen vormen de kern. Door deze inzichten toe te passen, kunnen fysiotherapeuten hun aanpak bij hardloopanalyse, sportrevalidatie en oefentherapie fundamenteel verbeteren.

De cursus “Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie” van Fysiolinks past de principes van Frans Bosch concreet toe in de praktijk. Onder leiding van experts wordt geleerd:

  • Hoe je dynamische hardloopanalyses uitvoert met moderne technologie (zoals Runeasi),

  • Hoe je trainingsprogramma’s opstelt volgens principes van motorisch leren,

  • En hoe je sportrevalidatie personaliseert op basis van variatie en adaptatie.

Deze cursus is onmisbaar voor fysiotherapeuten die een moderne aanpak willen integreren in hun dagelijkse praktijk met hardlopers en andere sporters. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus Loopanalyse bij de geblesseerde atleet ».

Spier- en peesletsels ontrafeld van pathofysiologie tot praktijk - Fysiolinks

Spier- en peesletsels vormen een groot aandeel in het dagelijks werk van de (sport)fysiotherapeut. Van amateurvoetballers met terugkerende hamstringklachten tot hardlopers die kampen met een chronische achillespeesblessure—het klinisch beeld is complex, het herstel vaak langdurig. Inzicht in de nieuwste wetenschappelijke onderbouwing en behandelaanpakken is dan ook essentieel. Binnen Fysiolinks volgen we deze ontwikkelingen nauwgezet en vertalen we ze naar toepasbare kennis in de praktijk, onder leiding van gerenommeerde experts zoals prof. dr. Erik Witvrouw.

Epidemiologie en risicofactoren: waarom preventie begint met kennis

Blessures aan spier-peesstructuren zoals de hamstrings, patellapees of achillespees behoren tot de meest voorkomende musculoskeletale problemen in de actieve populatie. Volgens recente data zijn hamstringblessures bijvoorbeeld goed voor meer dan 15% van alle spierblessures in het voetbal en atletiek. Belangrijke risicofactoren zijn onder meer onvoldoende excentrische kracht, asymmetrie, vroegere blessures en een gebrekkige neuromusculaire controle. Het identificeren van deze factoren stelt fysiotherapeuten in staat om preventieve programma’s gericht vorm te geven en het recidiefrisico te verkleinen .

Pathofysiologie: van inflammatie naar degeneratie

Lang werd gedacht dat spier- en peesletsels voornamelijk het gevolg waren van ontsteking, maar recente inzichten tonen aan dat veel tendinopathieën juist een degeneratief karakter hebben. Er is vaak sprake van microtrauma’s die leiden tot verstoring van het collageennetwerk en verminderde celkwaliteit, zonder klassieke ontstekingsmarkers. Begrip van deze processen is cruciaal, want het bepaalt de gekozen therapievorm: een ontstekingsremmer inzetten bij een degeneratief proces werkt immers contraproductief. Onze cursus: Spier- en peesletsel ontrafeld (LQ) – Mastering Muscle Tendon Injuries reikt je handvatten aan om deze processen correct te interpreteren en te koppelen aan passende behandelinterventies .

Revalidatieprincipes: wat werkt écht?

Excentrische training: de gouden standaard?

Excentrische training vormt de basis van veel succesvolle revalidatieprotocollen bij tendinopathieën. In het geval van patellapees- en achillespeesklachten is het toedienen van gecontroleerde, excentrische belasting aangetoond effectief in het verbeteren van peesstructuur, pijnvermindering en functioneel herstel. Specifiek bij hamstringproblemen blijkt het Nordic Hamstring protocol niet alleen curatief, maar ook preventief zeer krachtig .

Heavy Slow Resistance (HSR): een alternatieve route

Naast excentrische belasting wint de HSR-methode steeds meer terrein. Hierbij worden oefeningen met zware gewichten traag uitgevoerd, wat zorgt voor een maximale mechanische prikkel en toename van de peesbelastingstolerantie. Uit recent onderzoek blijkt dat HSR in veel gevallen vergelijkbare of zelfs superieure resultaten oplevert in vergelijking met klassieke excentrische revalidatie .

Isometrische oefeningen: startpunt bij pijn

Voor patiënten met hevige klachten of een lage belastingstolerantie vormen isometrische oefeningen een veilige en effectieve start. Ze zorgen voor pijnreductie zonder beweging, wat een belangrijke eerste stap kan zijn in een gefaseerde opbouw naar actieve revalidatie. In onze cursus leer je hoe je deze isometrische technieken integreert in een gefaseerd behandelplan, volledig afgestemd op de individuele belastbaarheid van je patiënt .

Van theorie naar praktijk: integreren in jouw behandelstrategie

De vertaling van wetenschap naar de behandelkamer is waar de kracht van Fysiolinks ligt. Je leert niet alleen de theorie begrijpen, maar ook toepassen in de praktijk—met realistische cases, oefensessies en ruimte voor eigen inbreng. Binnen de cursus “Spier- en peesletsel ontrafeld (LQ)” wordt gewerkt met een multimodaal model waarbij ook aandacht is voor motorische controle, weefselherstel en functionele progressie. Dit maakt het mogelijk om per patiënt een individueel revalidatieplan op te stellen.

Bronvermelding:

  • Goode, A. P., et al. (2015). Eccentric training for prevention of hamstring injuries may depend on intervention compliance: a systematic review and meta-analysis. British Journal of Sports Medicine, 49(6), 349–356.

  • Richtlijnendatabase. (2021). Oefentherapie bij patella tendinopathie (PT).

  • NT-e.nl. (n.d.). Tendinopathie.

  • NT-e.nl. (n.d.). Oefentherapie bij tendinopathieën (2/3).

  • Fysiotherapiedevries.nl. (n.d.). Heavy Slow Resistance training (HSR).

  • Richtlijnendatabase. (2021). Oefentherapie bij patella tendinopathie (PT).

  • Physiopedia. (n.d.). Tendinopathy Rehabilitation.

Versterk je expertise met prof. dr. Erik Witvrouw

Prof. dr. Erik Witvrouw is wereldwijd erkend voor zijn baanbrekend onderzoek op het gebied van musculoskeletale revalidatie zoals spier- en peesletsels. Zijn inzichten vormen de wetenschappelijke ruggengraat van deze cursus “Spier- en peesletsel ontrafeld (LQ) – Mastering Muscle Tendon Injuries” van Fysiolinks. Deze cursus biedt fysiotherapeuten de mogelijkheid om hun kennis en vaardigheden op het gebied van spier- en peesletsels te verdiepen. Door een combinatie van theoretische inzichten en praktische toepassingen leer je effectieve revalidatieprogramma’s samenstellen die direct toepasbaar zijn in de praktijk.

Of je nu werkt met sporters of patiënten met chronische klachten, deze cursus biedt waardevolle handvatten om je behandelstrategieën te optimaliseren.

 

Gluteale tendinopathie Een uniek onderdeel van de lage extremiteiten - Fysiolinks

Tendinopathieën van de onderste extremiteiten vormen een aanzienlijke uitdaging in de klinische praktijk en treffen mensen van verschillende leeftijden en activiteitenniveaus. Terwijl aandoeningen zoals de achillespees- en patellatendinopathie veel aandacht krijgen in onderzoek en kliniek, vertoont gluteale tendinopathie unieke kenmerken die om een specifieke aanpak vragen. Deze blog belicht de belangrijkste verschillen en biedt fysiotherapeuten praktische inzichten om hun zorg te verbeteren.

Disproportionele impact op levenskwaliteit

Gluteale tendinopathie beïnvloedt de levenskwaliteit veel ingrijpender dan andere peesaandoeningen van het onderlichaam. Waar achilles- en patellatendinopathieën vooral pijn veroorzaken bij belasting, zorgt gluteale tendinopathie vaak voor nachtelijke pijn die de slaap verstoort. Deze slaapproblematiek leidt tot vermoeidheid, stemmingsklachten en een verminderde pijntolerantie.

Patiënten ervaren klachten bij eenvoudige handelingen zoals zijlig, traplopen of lang zitten. De constante aanwezigheid van pijn beïnvloedt dagelijkse activiteiten, sociale bezigheden en werkvermogen, en tast daarmee de zelfstandigheid aan.

Bovendien treft deze aandoening vooral vrouwen van middelbare of oudere leeftijd, die vaak al te maken hebben met hormonale veranderingen, verminderde weefselkwaliteit of bijkomende musculoskeletale klachten, wat de impact nog vergroot.

Een atypisch pijnpatroon

De pijnpresentatie bij gluteale tendinopathie is diffuser dan bij bijvoorbeeld achillespeesklachten. Patiënten kunnen vaak niet exact aangeven waar de pijn zit; het ongemak straalt uit over de laterale heupregio, soms richting de achterzijde van het bovenbeen.

Deze aspecifieke klachten maken het klinisch differentiëren lastig. Een uitgebreide beoordeling is nodig om het onderscheid te maken met o.a. lumbale radiculopathie, FAI-syndroom of heupartrose. Anatomisch gezien spelen meerdere structuren zoals de gluteus medius/minimus pezen, de trochanter bursae en omliggende fasciale weefsels een rol bij dit complexe klachtenbeeld.

Ook het provocatiepatroon is atypisch. Waar andere tendinopathieën vooral pijn geven bij belasting en verbeteren met rust, ontstaat bij gluteale tendinopathie pijn bij eenvoudige houdingen zoals zijligging, benen kruisen of zitten met gebogen heup. Deze onvoorspelbaarheid frustreert zowel patiënt als behandelaar.

Progressie en lange termijn risico’s

Opvallend is dat gluteale tendinopathie mogelijk niet vanzelf herstelt en in verband wordt gebracht met het ontstaan van heupartrose. Gluteale spierdisfunctie leidt tot afwijkende biomechanica en gewrichtsbelasting, wat degeneratieve veranderingen in de heup kan versnellen.

De gluteus medius en minimus zijn essentieel voor heupabductie, bekkenstabiliteit en de positie van de femurkop. Bij peesdisfunctie raakt deze balans verstoord, wat de kans op artrose verhoogt.

In tegenstelling tot patellatendinopathie, die weliswaar chronisch kan zijn maar zelden leidt tot degeneratie, kan gluteale tendinopathie dus structurele schade op lange termijn veroorzaken. Vroege herkenning en een integrale aanpak zijn daarom cruciaal.

Klinische implicaties en behandelstrategieën

De unieke kenmerken van gluteale tendinopathie vragen om een specifieke benadering. In plaats van een standaard belastingprogramma zoals bij andere peesklachten, is patiënteducatie over provocerende houdingen essentieel. Denk aan het vermijden van gekruiste benen, staan met het gewicht op één heup, of slapen op de aangedane zijde.

Deze aanpassingen lijken eenvoudig, maar vereisen motivatie, begeleiding en herhaling.

Ook motorische controle en houdingscorrectie verdienen aandacht. Oefeningen gericht op bekkenstabiliteit en het normaliseren van bewegingspatronen zijn effectiever dan enkel lokaal spierversterken, zoals vaak gebeurt bij achillespeesklachten.

Conclusie

Gluteale tendinopathie is een op zichzelf staande entiteit met een grote impact op het dagelijks functioneren, een complex pijnbeeld en risico’s op heupdegeneratie. Inzicht in deze factoren stelt fysiotherapeuten in staat om doelgerichter te diagnosticeren en behandelen.

Door deze aandoening niet te vergelijken met andere tendinopathieën, maar te benaderen vanuit een specifieke, evidence-based visie, kunnen we zowel de korte termijnklachten als lange termijncomplicaties beter beheersen.

Met de verdere ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoek zal ons begrip van gluteale tendinopathie toenemen. Tot die tijd is een goed onderbouwde, persoonsgerichte aanpak de beste weg vooruit. Zie ook de korte uitleg hieronder van onze docent MSc Benoy Mathew.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

The Adult Hip door MSc Benoy Mathew
Tweedaagse Engelstalige cursus over de heup met onder andere tendinopathieën, FAI, dysplasie, GTPS en heupfracturen komen aan bod. De cursus The Adult Hip is sterk praktijkgericht en biedt tal van klinische tips die direct toepasbaar zijn in de praktijk. De cursus behandelt beoordeling, differentiële diagnose, manuele therapie, vroege revalidatie en revalidatie in een later stadium. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip ».

The Adult Hip – the big four door MSc Benoy Mathew
Eendaagse Engelstalige cursus (KRF 8 pt). De ‘grote vier’ tendinopathieën: bilspier, heupflexor, adductor en proximale hamstringpees komen aan bod. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip – the big four ».

Adductoren-gerelateerde liespijn Wat elke fysiotherapeut moet weten - Fysiolinks

Bij sporters die veel rennen, sprinten of schoppen, is pijn in de liesregio een vaak voorkomende klacht. Eén van de veelvoorkomende oorzaken hiervan is adductoren-gerelateerde liespijn. Volgens het internationale Doha-akkoord (Weir et al., 2015) is dit ook de aanbevolen term in plaats van “adductoren tendinopathie”.

Kenmerken en klachtenbeeld

In de meeste gevallen is de adductor longus spier betrokken bij deze blessure. Patiënten beschrijven vaak een zeurende pijn aan de binnenzijde van de lies die toeneemt bij inspanning, met name bij bewegingen waarbij kracht of rek op de adductoren komt, zoals bij richtingveranderingen of trappen tegen een bal.

Bij het lichamelijk onderzoek is het van belang de spierkracht en pijnreactie te testen. Pijn tijdens het aanspannen van de adductoren wijst vaak direct op deze regio, terwijl pijn elders in de liesregio kan duiden op andere structuren.

Betrouwbare testen zijn onder andere:

  • De “squeeze test” op verschillende graden heupflexie (0°, 45°, 90°),
  • Weerstandstesten bij adductie vanuit neutrale en geabduceerde heupstanden,
  • Passieve abductie van de heup waarbij rek op de spier pijn uitlokt.

Het is daarnaast essentieel om ook de kracht van omliggende spiergroepen te beoordelen zoals de buikspieren, quadriceps, hamstrings en voetspieren.

Het belang van differentiaaldiagnose

De liesregio is een complex anatomisch gebied. Klachten kunnen voortkomen uit verschillende structuren die dicht bij elkaar liggen. De classificatie van het Doha-akkoord helpt bij het onderscheiden van:

  1. Gedefinieerde klinische entiteiten (zoals adductoren-, iliopsoas-, pubische- of lieskanaal-gerelateerde pijn),
  2. Heupgewricht-gerelateerde oorzaken,
  3. Andere bronnen van liespijn bij sporters.

Het is belangrijk om andere mogelijke oorzaken, zoals uitstralende pijn vanuit de onderrug, zenuwbeknelling, stressfracturen of zelfs zeldzamere aandoeningen als tumoren uit te sluiten. Bij jonge patiënten moet men alert zijn op aandoeningen als apofysitis, epifysiolyse of de ziekte van Perthes.

Revalidatie en trainingsaanpassingen

Een succesvolle behandeling begint met een doordacht belastingsmanagement. Hierbij pas je het loopvolume, de intensiteit en richtingveranderingen aan. Ook vaardigheden zoals springen en trappen kunnen tijdelijk verminderd of aangepast worden.

In ernstige gevallen is het tijdelijk volledig vermijden van sportactiviteiten soms noodzakelijk om de pijn tot rust te brengen. Onderzoek (Serner et al., 2015) toont aan dat actieve revalidatieprogramma’s effectiever zijn dan passieve therapieën. Oefentherapie gericht op krachtopbouw en controle van de adductoren staat hierbij centraal. Lees voor meer informatie hierover het boek: Hip and Knee Pain Disorders – het boek van docent MSc Benoy Mathew

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

The Adult Hip door MSc Benoy Mathew
Tweedaagse Engelstalige cursus over de heup met onder andere tendinopathieën, FAI, dysplasie, GTPS en heupfracturen komen aan bod. De cursus The Adult Hip is sterk praktijkgericht en biedt tal van klinische tips die direct toepasbaar zijn in de praktijk. De cursus behandelt beoordeling, differentiële diagnose, manuele therapie, vroege revalidatie en revalidatie in een later stadium. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip ».

The Adult Hip – the big four door MSc Benoy Mathew
Eendaagse Engelstalige cursus (KRF 8 pt). De ‘grote vier’ tendinopathieën: bilspier, heupflexor, adductor en proximale hamstringpees komen aan bod. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip – the big four ».

Hip and Knee Pain Disorders

Dit boek is geschreven (MSc Benoy Mathew, Carol Courtney en César Fernández-de-las-Peñas), om een geavanceerd, evidence-informed en klinisch onderbouwd overzicht te bieden van het onderzoek en de conservatieve behandeling van heup- en kniepijn-aandoeningen.

Van evidence-based naar evidence-informed practice

Binnen het huidige paradigma van voornamelijk evidence-based practice worden klinische expertise, patiëntvoorkeuren en het best beschikbare onderzoek gebruikt om beslissingen te nemen over onderzoek, prognose en klinisch management. Echter, veel professionals begrijpen dit paradigma als een benadering die meer waarde en nadruk legt op het onderzoekscomponent, waardoor de andere twee aspecten worden ondergewaardeerd.

De term evidence-informed practice is voorgesteld om de oorspronkelijke intentie van evidence-based practice te respecteren, terwijl tegelijkertijd de waarde van klinische ervaring en expertise wordt erkend. In essentie combineert evidence-informed practice klinisch redeneren, gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke inzichten, met gezaghebbende kennis en een pathofysiologische onderbouwing die voortkomt uit de extrapolatie van fundamentele wetenschappelijke kennis.

In tegenstelling tot andere gepubliceerde studieboeken, die bij besluitvorming een overmatige nadruk leggen op onderzoek, richt dit boek zich op de klinische realiteit: het nemen van beslissingen over de behandeling van patiënten met heup- en kniepijn in situaties waarin een volledige wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt, en waarin andere kennisbronnen noodzakelijk zijn. Dit boek biedt een evidence-informed leerboek dat onderzoek, klinische expertise en patiëntvoorkeuren als gelijkwaardig beschouwt. Bestel hier het boek: Hip and Knee Pain Disorder »

Een multimodale aanpak: Manuele therapie en oefenprogramma’s

Het boek is samengesteld door drie internationaal erkende experts op het gebied van klinisch onderzoek naar manuele therapie en chronische pijn. Hun onderzoek richt zich op evidence-based management van musculoskeletale pijnklachten met conservatieve behandelmethoden. Voor dit boek hebben zij hun kennis en klinische expertise gebundeld met die van 54 andere specialisten in het vakgebied, bestaande uit een mix van clinici en praktijkgerichte onderzoekers.

Hip and Knee Pain Disorders is uniek in de manier waarop het manuele therapieën en oefenprogramma’s samenbrengt binnen een multimodale benadering voor de behandeling van deze pijnklachten, zowel vanuit een klinisch als een wetenschappelijk perspectief. Het erkent tevens de groeiende rol van fysiotherapeuten met directe toegankelijkheid tot zorg. Dit boek is een waardevolle referentie voor clinici van verschillende beroepsgroepen die geïnteresseerd zijn in de conservatieve behandeling van heup- en knieklachten. Daarnaast is het geschikt als studieboek voor zowel bachelor- als postacademische studenten.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

The Adult Hip door MSc Benoy Mathew
Tweedaagse Engelstalige cursus over de heup met onder andere tendinopathieën, FAI, dysplasie, GTPS en heupfracturen komen aan bod. De cursus The Adult Hip is sterk praktijkgericht en biedt tal van klinische tips die direct toepasbaar zijn in de praktijk. De cursus behandelt beoordeling, differentiële diagnose, manuele therapie, vroege revalidatie en revalidatie in een later stadium. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip ».

The Adult Hip – the big four door MSc Benoy Mathew
Eendaagse Engelstalige cursus (KRF 8 pt). De ‘grote vier’ tendinopathieën: bilspier, heupflexor, adductor en proximale hamstringpees komen aan bod. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip – the big four ».

De cruciale eerste maanden na een kruisbandblessure BFRT - Fysiolinks

Stel je voor dat je als fysiotherapeut een patiënt ontmoet die net een voorste kruisbandreconstructie heeft ondergaan. Ze zijn vastberaden om hun sportieve leven te hervatten, maar staan voor een uitdagende revalidatieperiode. We duiken daarom dieper in op de eerste weken van herstel na een voorste kruisbandreconstructie. Ook verkennen we de veelbelovende techniek genaamd Blood Flow Restriction (BFR) training, die kan bijdragen aan een efficiënter herstelproces.

De eerste maanden van de revalidatie na een kruisbandblessure spelen een cruciale rol bij het herstelproces. Het is tijdens deze periode dat de basis wordt gelegd voor het bereiken van een goede mobiliteit, tonus, afname van zwelling en toename van functionaliteit. Het is van essentieel belang om deze doelen te bereiken, zodat later in de revalidatie progressieve krachttraining, functionele training en uiteindelijk de terugkeer naar sportactiviteiten mogelijk worden. Hoe pak je dit aan?

  • Inhibitie en spierreactiviteit: In de eerste weken van de revalidatie kunnen verschillende uitdagingen ontstaan. Zwelling, beperking van de bewegingsvrijheid en pijn kunnen de Quadriceps-spieren belemmeren. Daarnaast kan er sprake zijn van een onevenwichtige activatie van bepaalde spiergroepen, wat de revalidatie verstoort. Het gebrek aan activatie van een spier of spiergroep kan leiden tot onvoldoende bijdrage aan krachtopbouw en stabiliteit tijdens het herstelproces.
  • Reactiviteit van de knie: Gedurende de eerste weken van de revalidatie moet rekening worden gehouden met de reactiviteit van de knie. Zwelling en het herstel van de nieuwe kruisband moeten in acht worden genomen om verdere complicaties te voorkomen. Een zorgvuldige benadering en monitoring zijn vereist om een optimaal herstel te bevorderen. Deze fase van de revalidatie is ook erg geschikt om gebruik te maken van Blood Flow Restriction Training (BFRT). Hierbij kan de musculatuur zwaarder worden belast, zonder dat dat een te zware belasting voor het gewricht geeft. Wil je meer weten over een BFR-trainingsprogramma? Bekijk deze dan via onze BFRT-blog (inclusief video’s) »
  • Opbouw van mobiliteit en functionaliteit: Na de eerste vier tot zes weken verschuift de focus naar het opbouwen van mobiliteit en het normaliseren van het looppatroon zonder krukken. Het verkrijgen van functionaliteit in de dagelijkse activiteiten wordt een nieuw doel vanaf de tweede maand van de revalidatie. Het herwinnen van onafhankelijkheid en het kunnen uitvoeren van alledaagse taken zijn belangrijke mijlpalen in het herstelproces.
  • Krachttraining en symmetrie: Vanaf de derde maand wordt progressieve krachttraining geïntroduceerd in het revalidatieprogramma. Tegelijkertijd wordt er gekeken naar de Leg Symmetry Index (LSI). De LSI meet de symmetrie in kracht en functionaliteit tussen de geopereerde en niet-geopereerde been. Het is cruciaal dat aan het einde van de revalidatie de LSI binnen 10% valt, om een succesvolle terugkeer naar sport te waarborgen.

De eerste maanden van de revalidatie na een kruisbandblessure zijn van onschatbare waarde. Het bereiken van mobiliteit, tonus, afname van zwelling en toename van functionaliteit vormen de basis voor het verdere herstelproces. Het overwinnen van spierinhibitie, het omgaan met kniereactiviteit en het geleidelijk opbouwen van krachttraining spelen een cruciale rol bij het bereiken van een succesvol herstel.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

Blood Flow Restriction Training: Conservatieve en postoperatieve revalidatie van musculoskeletale aandoeningen met MSc Mathias Thoelen
Dé cursus voor revalidatieprofessionals die de kracht en wetenschap achter Blood Flow Restriction willen begrijpen en weten hoe je het toepast! Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus BFRT ».

“Over de knie”, Knieklachten bij sport met prof. dr. Erik Witvrouw
In deze tweedaagse evidence based cursus deelt prof. dr. Erik Witvrouw de laatste interessante kennis ‘Over de knie’ met jou. De meest voorkomende knieaandoeningen met boeiende onderwerpen als patellofemorale pijnsyndroom, voorste kruisbandletsels en de behandeling van hamstringletsels komen aan bod en je leert allerlei nieuwe oefentechnieken. Waardoor je deze kennis over knieaandoeningen gelijk in de praktijk kunt toepassen.

Na de cursus kun je alle stof nog een keer op je eigen tempo herhalen door middel van de online herhalingsmodule. Hierin nemen we alle ‘clinical pearls’ uit de cursus nog een keer met je door. Hierin delen we ook alle video’s van oefeningen die je kunt gebruiken in je praktijk. De online module is gratis en levert bij het succesvol afronden 4 extra accreditatiepunten op!

Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus Over de knie ».

Casus complexe heupklachten de zogeheten 'black box' - Fysiolinks

Emily, een 32-jarige kantoormedewerkster en fervente sportschoolbezoeker, ervaarde 10 maanden geleden pijn in haar rechter voorheup, gediagnosticeerd als een verrekking van de heupflexor.

De pijn in haar rechterheup is opnieuw opgedoken sinds ze met de fiets naar haar werk ging, waardoor ze nogmaals naar de fysiotherapeut is verwezen. Op haar recente bekkenröntgenfoto is een acetabulair cross-over teken waargenomen, wat duidt op pincer FAI in beide heupen.

  1. Hoe kun je klinisch vaststellen of de röntgenresultaten daadwerkelijk de bron van haar symptomen zijn en niet slechts een toevallige bevinding zijn?
  2. Wat zijn haar behandelopties?
  3. Wat is de meest effectieve revalidatiestrategie?
  4. Zou een doorverwijzing naar een chirurg worden overwogen?

Als fysiotherapeut zie je vaak patiënten zoals Emily met heup- en liespijn. Het heup- en liesgebied wordt vaak beschouwd als een “black box” vanwege de complexe anatomie en overlappende pijnpatronen. Of het nu gaat om de dagelijkse atleet, de yogaliefhebber of de fanatieke triatleet, een nauwkeurige diagnose en behandeling van heup- en liespijn kan uitdagend zijn. Aandoeningen zoals heup impingement syndromen, labrale scheuren, chondrale laesies en ligamentum teres letsels worden steeds vaker geïdentificeerd als oorzaken van heup- en liespijn bij fysiek actieve mensen tussen de 18 en 45 jaar. Hoewel verschillende behandelmethoden worden beschreven, bestaat er geen consensus over de rol van conservatieve behandeling.

Benieuwd hoe je zo’n casus kunt aanpakken en behandelen? Je leert er veel meer over tijdens onze Fysiolinks cursus: The Adult Hip ». Zie aanvullende informatie over de cursus hieronder.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

The Adult Hip door MSc Benoy Mathew
Tweedaagse Engelstalige cursus over de heup met onder andere tendinopathieën, FAI, dysplasie, GTPS en heupfracturen komen aan bod. De cursus The Adult Hip is sterk praktijkgericht en biedt tal van klinische tips die direct toepasbaar zijn in de praktijk. De cursus behandelt beoordeling, differentiële diagnose, manuele therapie, vroege revalidatie en revalidatie in een later stadium. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus The Adult Hip ».

De sleutel tot efficiënt hardlopen Fysiolinks

Vraag je je ooit af wat toplopers als Usain Bolt en Eliud Kipchoge zo buitengewoon maakt? Natuurlijk spelen hun fysiologische kwaliteiten en talenten een grote rol. Het is daarnaast ook hun moeiteloze, soepellopende techniek die hen in staat stelt om records te breken en historische wereldprestaties neer te zetten.

Een loopanalyse richt zich vaak op het begrijpen en verbeteren van de biomechanica en bewegingspatronen tijdens het hardlopen. Het is van belang om functionele bewegingen en het optimaliseren van de interactie tussen spieren, gewrichten en het zenuwstelsel plaats te laten vinden. Bij een loopanalyse worden verschillende aspecten geobserveerd en beoordeeld:

  • Algemene houding: Men kijkt naar de algehele houding van de hardloper, inclusief de positie van het hoofd, de schouders, de wervelkolom en het bekken. Een goede houding zorgt voor een efficiënte overdracht van krachten en minimaliseert blessurerisico’s.
  • Voetafwikkeling: het is van belang om een efficiënte voetafwikkeling te hebben, waarbij de voet op een natuurlijke manier contact maakt met de grond. Er wordt gekeken naar factoren zoals pronatie (inwaartse kanteling van de voet), supinatie (uitwaartse kanteling van de voet) en de mate van contact met de grond.
  • Knie- en heupflexie: De analist observeert de mate van knie- en heupflexie tijdens het hardlopen. Een goede flexie zorgt voor een efficiënte krachtoverdracht en vermindert de impact op de gewrichten.
  • Armbeweging: De beweging van de armen tijdens het hardlopen is van invloed op de balans en de coördinatie. Een gecontroleerde en tegenovergestelde beweging van de armen ten opzichte van de benen is belangrijk.
  • Grondcontacttijd: De duur van het contact van de voet met de grond is een belangrijk aandachtspunt bij de loopanalyse. Een kortere grondcontacttijd wijst vaak op een efficiëntere loopstijl.
  • Krachtoverdracht: het maximaliseren van de krachtoverdracht tussen verschillende lichaamsdelen is essentieel voor een effectieve loopstijl. De analist let op de coördinatie en timing van de spieractivatie om te beoordelen hoe goed de kracht wordt overgedragen.

Tijdens de loopanalyse kunnen verschillende technieken worden gebruikt, zoals video-opnamen, sensoren en biomechanische metingen. Deze gegevens helpen bij het objectief beoordelen van de loopstijl en het identificeren van eventuele gebieden die verbetering behoeven.

Het uiteindelijke doel van een loopanalyse is om de hardloper bewust te maken van zijn of haar bewegingspatronen en hen te helpen deze te optimaliseren. Door functionele bewegingen en een efficiënte biomechanica na te streven, kan de hardloper zijn prestaties verbeteren en blessures helpen voorkomen. Dit alles waarbij de principes vanuit het Frans Bosch Systeem (FBS) gehanteerd worden met veel focus op impliciet leren.

Wat hebben een soepele lichaamstorsie, voldoende heupmobiliteit, het vermogen om het bekken te beheersen, de voetproprioceptie en enkelcontrole met elkaar gemeen? Je leest het in onze blog: Dit zijn de bepalende factoren voor dynamische stabiliteit bij hardlopen »

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie door MSc Philip Cortvriendt
De tweedaagse cursus (KRF 16pt) objectieve loopanalyse: van data tot een doelgericht behandelplan, waarbij de principes vanuit het Frans Bosch Systeem (FBS) gehanteerd worden met veel focus op impliciet leren. De revalidatie is niet alleen interessant voor de sportfysiotherapeut, maar voor elke fysiotherapeut die zijn sporter en revalidant naar een hogere level wil brengen via veelbelovende en ongeëvenaarde oefeningen. Je vindt op onze website een korte video-impressie van deze cursus. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie.

De afgelopen twee decennia hebben we een opmerkelijke toename gezien in de belangstelling voor coretraining om de bekkenstabiliteit van sporters, vooral hardlopers, te verbeteren. Dit is een geweldige ontwikkeling die ons heeft geholpen om atleten naar hogere prestatieniveaus te tillen. We richten ons daarbij niet alleen op de basisprincipes van coretraining. We kiezen voor een aanpak die alle factoren omvat die bijdragen aan dynamische stabiliteit.

Wat is dynamische stabiliteit en waarom is het belangrijk?

Voordat we dieper ingaan op de beïnvloedende factoren, is het belangrijk om te begrijpen hoe we dynamische stabiliteit meten. Het is de zij-aan-zij beweging van het zwaartepunt (CoM) en het weerspiegelt het vermogen om het bekken te controleren tijdens de standfase van het looppatroon. Meer zijwaartse bewegingen zal de belasting van de stabiliserende spieren verhogen, wat leidt tot een verminderde loopefficiëntie en een groter risico op blessures (Schütte et al. 2017; Pla et al. 2021).

*Illustratie van de zijwaartse beweging van COM tijdens de standfase van het lopen

Bepalende factoren voor een optimale dynamische stabiliteit

1. Soepele lichaamstorsie

Torsie verwijst naar het roterende samenspel tussen het boven- en onderlichaam, waarbij ze in tegengestelde richtingen bewegen. Wanneer je bijvoorbeeld je linkerbeen en de linkerkant van je bekken naar voren brengt, bewegen je rechterarm en schouder naar voren. Dit patroon creëert een rek door onze schuine sling, die korter wordt bij de overgang naar de andere kant. Dit gecoördineerde patroon creëert een stabiel, voorwaarts en voortbewegend lichaam CoM.

Om het belang van torsie te begrijpen, kun je bij wijze van test eens vooruit rennen zonder je armen en schouders hierbij te bewegen. Je merkt al snel hoe uitdagend het is om snelheid te genereren en de controle over je bekken te behouden. Dit komt doordat de gecoördineerde beweging van het boven- en onderlichaam een cruciale rol speelt bij het genereren van beweging.

Een slechte/asymmetrische coördinatie van het bovenlichaam kan een gevolg zijn van een slechte controle van het bekken. Forceer het niet om te veranderen!

2. Voldoende heupmobiliteit

Wist je dat heupmobiliteit en flexibiliteitstekorten de manier kunnen verstoren waarop we tijdens het hardlopen dynamische stabiliteit kunnen behouden? Vooral het extensiebereik (ROM) van ons heupgewricht, dat beperkt is tot +-20-30°, speelt hierbij een essentiële rol. Dit is waar het een uitdaging vormt tijdens het hardlopen, omdat we onze benen moeten kunnen strekken. Om de vereiste ROM te bereiken, moeten we kunnen draaien en kantelen.

Hoewel het vergroten van onze bekkenkanteling zo zijn voordelen kan hebben, heeft het ook een nadeel. Wanneer we ons bekken naar voren kantelen, kunnen we onbedoeld de gespannen voorste spiergroepen losmaken die energie hebben opgeslagen om ons been naar voren te bewegen. Dit kan resulteren in een been dat niet zo snel beweegt als zou moeten. Het beïnvloedt ons vermogen om onze voet goed te plaatsen tijdens de eerste contactfase van onze stap.
Merk je een lange grondcontacttijd en een lage cadans op? Probeer kleinere stappen uit te voeren om de dynamische stabiliteit te verbeteren.

*Illustratie van de ‘aangepaste thomas-test’ om heupflexibiliteit te beoordelen. Bekijk de YouTubevideo met uitleg ->

3. Vermogen om het bekken te beheersen

Om een goede dynamische stabiliteit te bereiken, moeten we ons bekken dus onder controle kunnen houden. Hoewel de krachten die op het lichaam worden uitgeoefend hoog zijn, is het niet alleen de maximale spierkracht die deze controle bepaalt, maar ook de timing van spieractivatie. De impactduur, de tijd waarin de piekimpact ons bekken bereikt, kan erg kort zijn (15-150 ms), waardoor het moeilijk voor de spieren wordt om op tijd te reageren. Om dit aan te pakken, moeten we vertrouwen op pre-activering van de spieren, waarbij de spieren al actief zijn voordat de voet de grond raakt. Zelfs als we een goede heupspierkracht hebben, is een goede timing cruciaal en moet deze op de juiste manier worden getraind. Houd er rekening mee dat blessures vertraagde spieractivering kunnen veroorzaken bij het stabiliseren van de heupspieren (Willson et al. 2011)

Een goede controle over ons bekken behouden wordt een nog grotere uitdaging wanneer we moe beginnen te worden. De afbeeldingen hierboven tonen een voorbeeld van een hardloper uit het artikel van Schutte et al., (2014) die zijn bekken beweegt met meer zijdelingse verplaatsingen (Figuur B vermoeid vs. Figuur A vers) en met hogere, minder gecontroleerde, zijdelingse versnellingen (Figuur D vermoeid vs. Figuur C fris). Dit benadrukt hoe belangrijk het is om tijdens een langere of intensievere hardloopsessie een goede controle over ons bekken te behouden en energieverspilling door bewegingen te minimaliseren.

4. Voetproprioceptie en enkelcontrole

Tegenwoordig dragen we meer schoenen met kussens. Dit kan gunstig zijn om de impact op te vangen, maar kan ook het vermogen verminderen om de grond onder onze voeten te voelen, de zogeheten proprioceptie. Daarom is het belangrijk om onze stabiliserende spieren goed te activeren voor het eerste contact, omdat we maar weinig tijd hebben om adequaat te reageren. Of je nu met een voorvoet, middenvoet of achtervoet rent, actieve dorsaalflexie van je voet is cruciaal om slapte in je kuitspieren te verminderen en de voorste spieren van je enkel te activeren. Dit kan de eerste schokabsorptie in de voet en enkel verbeteren (echt belangrijk!) en de gewrichten controleren om de energieopslag in het peesweefsel te verbeteren voor een betere energieteruggave.

*Spieren rond de voet en enkel zijn lang en zeer peesvormig, waardoor ze geschikt zijn voor energieopslag en -afgifte tijdens het hardlopen.

Hoewel dynamische stabiliteit een belangrijke biomechanische parameter is om het risico op letsel te verminderen en de efficiëntie van bewegingen te verbeteren, kunnen verschillende bepalende factoren deze parameter beïnvloeden. Maar hoe kunnen we nu beter worden in het voortstuwen van onze CoM door middel van training? Tijdens onze nascholingscursus Loopanalyse bij de geblesseerde atleet leer je hier meer over.

Dit artikel is in samenwerking met MSc Philip Cortvriendt van Runeasi ontwikkeld. Philip behaalde een masterdiploma in fysiotherapie en revalidatiewetenschappen en heeft kernexpertise op het gebied van hardlopen, waarbij hij werkt met zowel recreatieve als toplopers.

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie door MSc Philip Cortvriendt
De tweedaagse cursus (KRF 16pt) objectieve loopanalyse: van data tot een doelgericht behandelplan, waarbij de principes vanuit het Frans Bosch Systeem (FBS) gehanteerd worden met veel focus op impliciet leren. De revalidatie is niet alleen interessant voor de sportfysiotherapeut, maar voor elke fysiotherapeut die zijn sporter en revalidant naar een hogere level wil brengen via veelbelovende en ongeëvenaarde oefeningen. Je vindt op onze website een korte video-impressie van deze cursus. Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus Van hardloopanalyse tot functionele oefentherapie ».

BFR-Trainingsprogramma bij knierevalidatie - Fysiolinks

Bij het schrijven van een BFR-trainingsprogramma wordt onder meer rekening gehouden met medische screening en patiëntkenmerken. Het bepalen van de trainingsdruk op basis van een LOP-beoordeling en het voorschrijven op basis van het druk/belastingscontinuüm zijn cruciaal. Implementeer indien nodig strategieën om de perceptuele eisen te verminderen om naleving op de lange termijn te behouden.

 

Last but not least: denk tijdens jouw training en tijdens elke sessie aan de pijlers van BFR-Training. Gebruik ze als een progressief raamwerk/continuüm voor het toepassen van BFRT van heel eenvoudig tot moeilijker en selecteer de juiste oefeningen.

BFRT-pijler

Pijler 1: celzwelling/passieve BFR

Doelen van pijler 1:

  • Korte kennismakingsperiode
  • Vermindering van atrofie en verlies van spierkracht

Pijler 2: cardiovasculaire training

Doelen van Pijler 2:

  • Toename van spiermassa en kracht
  • Behoud of verbetering van het aërobe vermogen
  • Pijnstilling
  • Brug richting pijler 3

Pijler 3: weerstandstraining

Doelen van Pijler 3:

  • Streef dezelfde voordelen na als bij traditionele krachttraining met hoge belasting, zonder alle externe mechanische belasting
  • Verminder atrofie
  • Verhogen van spierhypertrofie
  • Vergroot de spierkracht en het uithoudingsvermogen
  • Activeringsproblemen oplossen
  • Pijnstilling
  • Vergemakkelijk het botmetabolisme

Pijler 4: prestatietraining

Wordt niet vaak gebruikt bij knierevalidatie.  Individuen kunnen pijler 1 en/of 2 overslaan als uit jouw evaluatie blijkt dat zij de druk van latere pijlers kunnen verdragen.

Deze blog is geschreven door MSc Mathias Thoelen; Docent BFRT voor de nascholingscursus Blood Flow Restriction Training: Conservatieve en postoperatieve revalidatie van musculoskeletale aandoeningen

Welke nascholingscursussen kunnen jou als fysiotherapeut hierbij verder helpen?

Blood Flow Restriction Training: Conservatieve en postoperatieve revalidatie van musculoskeletale aandoeningen met MSc Mathias Thoelen
Dé cursus (KRF 8pt) voor revalidatieprofessionals die de kracht en wetenschap achter Blood Flow Restriction willen begrijpen en weten hoe je het toepast! Meer weten over onze KNGF geaccrediteerde nascholingscursus BFRT ».

References:

Abe, T., Kearns, C. F., & Sato, Y. (2006). Muscle size and strength are increased following walk training with restricted venous blood flow from the leg muscle, Kaatsu-walk training. Journal of applied physiology, 100(5), 1460-1466.
Abe, T., Fujita, S., Nakajima, T., Sakamaki, M., Ozaki, H., Ogasawara, R., … & Ishii, N. (2010). Effects of low-intensity cycle training with restricted leg blood flow on thigh muscle volume and VO2max in young men. Journal of sports science & medicine, 9(3), 452.
Bond, C. W., Hackney, K. J., Brown, S. L., & Noonan, B. C. (2019). Blood flow restriction resistance exercise as a rehabilitation modality following orthopaedic surgery: a review of venous thromboembolism risk. journal of orthopaedic & sports physical therapy, 49(1), 17-27.
Centner, C., Jerger, S., Lauber, B., Seynnes, O. R., Friedrich, T., Lolli, D., … & König, D. (2022). Low-load blood flow restriction and high-load resistance training induce comparable changes in patellar tendon properties.
Constantinou, A., Mamais, I., Papathanasiou, G., Lamnisos, D., & Stasinopoulos, D. (2022). Comparing hip and knee focused exercises versus hip and knee focused exercises with the use of blood flow restriction training in adults with patellofemoral pain. European Journal of physical and rehabilitation Medicine, 58(2), 225.
Cuddeford, T., & Brumitt, J. (2020). In‐season rehabilitation program using blood flow restriction therapy for two decathletes with patellar tendinopathy: A case report. International journal of sports physical therapy, 15(6), 1184.
Formiga, M. F., Fay, R., Hutchinson, S., Locandro, N., Ceballos, A., Lesh, A., … & Cahalin, L. P. (2020). EFFECT OF AEROBIC EXERCISE TRAINING WITH AND WITHOUT BLOOD FLOW RESTRICTION ON AEROBIC CAPACITY IN HEALTHY YOUNG ADULTS: A SYSTEMATIC REVIEW WITH META-ANALYSIS. International Journal of Sports Physical Therapy, 15(2).
Giles, L., Webster, K. E., McClelland, J., & Cook, J. L. (2017). Quadriceps strengthening with and without blood flow restriction in the treatment of patellofemoral pain: a double-blind randomised trial. British journal of sports medicine, 51(23), 1688-1694.
Hughes, L., Grant, I., & Patterson, S. D. (2021). Aerobic exercise with blood flow restriction causes local and systemic hypoalgesia and increases circulating opioid and endocannabinoid levels. Journal of Applied Physiology, 131(5), 1460-1468.
Hughes, L., Paton, B., Haddad, F., Rosenblatt, B., Gissane, C., & Patterson, S. D. (2018). Comparison of the acute perceptual and blood pressure response to heavy load and light load blood flow restriction resistance exercise in anterior cruciate ligament reconstruction patients and non-injured populations. Physical Therapy in Sport, 33, 54-61.
Hughes, L., & Patterson, S. D. (2020). The effect of blood flow restriction exercise on exercise-induced hypoalgesia and endogenous opioid and endocannabinoid mechanisms of pain modulation. Journal of Applied Physiology, 128(4), 914-924.
Hughes, L., Patterson, S. D., Haddad, F., Rosenblatt, B., Gissane, C., McCarthy, D., … & Paton, B. (2019a). Examination of the comfort and pain experienced with blood flow restriction training during post-surgery rehabilitation of anterior cruciate ligament reconstruction patients: A UK National Health Service trial. Physical Therapy in Sport, 39, 90-98.
Hughes, L., Rosenblatt, B., Haddad, F., Gissane, C., McCarthy, D., Clarke, T., … & Patterson, S. D. (2019b). Comparing the effectiveness of blood flow restriction and traditional heavy load resistance training in the post-surgery rehabilitation of anterior cruciate ligament reconstruction patients: a UK National Health Service Randomised Controlled Trial. Sports Medicine, 49(11), 1787-1805.
Hughes, L., Rosenblatt, B., Paton, B., & Patterson, S. D. (2018). Blood flow restriction training in rehabilitation following anterior cruciate ligament reconstructive surgery: A review. Techniques in Orthopaedics, 33(2), 106-113.
Jack, R. A., Lambert, B. S., Hedt, C. A., Delgado, D., Goble, H., & McCulloch, P. C. (2022). Blood Flow Restriction Therapy Preserves Lower Extremity Bone and Muscle Mass After ACL Reconstruction. Sports Health, 19417381221101006.
Korakakis, V., Whiteley, R., & Epameinontidis, K. (2018). Blood flow restriction induces hypoalgesia in recreationally active adult male anterior knee pain patients allowing therapeutic exercise loading. Physical Therapy in Sport, 32, 235-243.
Kotsifaki, R., Korakakis, V., King, E., Barbosa, O., Maree, D., Pantouveris, M., … & Whiteley, R. (2023). Aspetar clinical practice guideline on rehabilitation after anterior cruciate ligament reconstruction. British Journal of Sports Medicine, 57(9), 500-514
Patterson, S. D., Hughes, L., Warmington, S., Burr, J., Scott, B. R., Owens, J., … & Loenneke, J. (2019). Blood flow restriction exercise: considerations of methodology, application, and safety. Frontiers in physiology, 10, 533.
Prue, J., Roman, D. P., Giampetruzzi, N. G., Fredericks, A., Lolic, A., Crepeau, A., … & Weaver, A. P. (2022). Side effects and patient tolerance with the use of blood flow restriction training after ACL reconstruction in adolescents: a pilot study. International Journal of Sports Physical Therapy, 17(3), 347.
Rolnick, N., Kimbrell, K., Cerqueira, M. S., Weatherford, B., & Brandner, C. (2021). Perceived Barriers to Blood Flow Restriction Training. Frontiers in Rehabilitation Sciences, 14.
Skovlund, S. V., Aagaard, P., Larsen, P., Svensson, R. B., Kjaer, M., Magnusson, S. P., & Couppé, C. (2020). The effect of low‐load resistance training with blood flow restriction on chronic patellar tendinopathy—A case series. Translational Sports Medicine, 3(4), 342-352.
Wernbom, M., & Aagaard, P. (2020). Muscle fibre activation and fatigue with low‐load blood flow restricted resistance exercise—An integrative physiology review. Acta Physiologica, 228(1), e13302.